escaleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- es·ca·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| escaleren |
escaleerde |
geëscaleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
escaleren
- (ergatief) stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
- Ze stellen zich terughoudend op om te voorkomen dat de zaak escaleert.
- Men verwacht niet dat het grensconflict escaleert tot een totale oorlog.