escaleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·ca·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
escaleren
escaleerde
geëscaleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

escaleren

  1. (ergatief) stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
    Ze stellen zich terughoudend op om te voorkomen dat de zaak escaleert.
    Men verwacht niet dat het grensconflict escaleert tot een totale oorlog.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen