engel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- en·gel
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Griekse aggelos (bode, afgezant).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | engel | engelen |
| verkleinwoord | engeltje | engeltjes |
Zelfstandig naamwoord
engel m
- een hemels wezen
- Dat is vast voorkomen door een engel.
- iemand die iets aardigs doet
- Je bent een engel als je het afval aan de straat zet.
Vertalingen
1. hemels wezen
Angelsaksisch
Uitspraak
- IPA: /ˈeŋgel/
Zelfstandig naamwoord
engel m