emmer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een emmer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • em·mer
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord emmer emmers
verkleinwoord emmertje emmertjes

Zelfstandig naamwoord

[2] enkelvoud meervoud
naamwoord emmer -
verkleinwoord - -

emmer m

  1. busvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
    Moe van het ramen lappen zette hij de emmer weg.
  2. Triticum dicoccum Schrank ex Schuebl. syn. Triticum turgidum subsp. dicoccon is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie