ellende
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- el·len·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ellende | ellenden, ellendes |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- armoedige, beklagenswaardige omstandigheden die zorgen voor lijden en verdriet
- Hij wil politieke munt slaan uit andermans ellende.
- De aardbeving veroorzaakte veel ellende.
- rampspoed, tegenslagen
- Door alle ellende die we meemaakten is ons huwelijk gestrand.