egel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- egel
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse eghel, Oudsaksische igil
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | egel | egels |
| verkleinwoord | egeltje | egeltjes |
Zelfstandig naamwoord
egel m
- (dierkunde), (zoogdieren) Erinaceus europaeus
, een klein insectenetend zoogdier waarvan de rugzijde met stekels bezet is
- Ik vind egels erg lief.
Anagrammen
Vertalingen
1. Erinaceus europaeus, een klein insectenetend zoogdier waarvan de rugzijde met stekels bezet is
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.