eeuwigheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eeu·wig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eeuwigheid (eeuwigheden)
verkleinwoord (eeuwigheidje) (eeuwigheidjes)

Zelfstandig naamwoord

eeuwigheid v

  1. alle tijd die nog zal komen
    Volgens sommige christenen moet je tot in de eeuwigheid branden in de hel als je niet in hun stroming van het christendom gelooft.
  2. veel meer tijd dan gewenst
    Ik heb hier echt een eeuwigheid zitten wachten tot je eindelijk klaar was.
  3. een gevoelsmatig lange tijd
    Die nachtmerrie leek wel een eeuwigheid te duren, maar in feite waren het slechts seconden.
Vertalingen