eer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- eer
Voegwoord
eer
- (formeel) voordat
- Het duurde lang eer ik zijn grappen waarderen kon.
Synoniemen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eer | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- aanzien, roem
- Hij kreeg veel eer voor zijn werk.
- kuisheid.
- Wij deden dat in alle eer en deugd.
Vertalingen
1. aanzien, roem
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| eren |
eer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eren
- Ik eer.
- gebiedende wijs van eren
- Eer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eren
- Eer je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eer | - |
Zelfstandig naamwoord
eer