echo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • echo
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Griekse èchō (weergalm)
enkelvoud meervoud
naamwoord echo echo's
verkleinwoord echootje echootjes

Zelfstandig naamwoord

echo m

  1. (muziek) een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
  2. (elektronica) een herhaald elektronisch signaal
  3. (spellingsalfabet) spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter e
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
echoën

echo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van echoën
    Ik echo.
  2. gebiedende wijs van echoën
    Echo!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van echoën
    Echo je?

Meer informatie


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

echo o

  1. echo


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
echar

echo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van echar