ebben
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- eb·ben
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ebben | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
ebben o
- het zwarte en zware hout van een ebbenboom, behorende tot één uit een aantal tropische soorten uit het geslacht Diospyros
(familie Ebenaceae
)
- Het gebruik van ebben is vanwege de kostbaarheid van het hout erg beperkt.
Synoniemen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | (alleen attributief) |
| verbogen | ebben |
Bijvoeglijk naamwoord
ebben
- vervaardigd van ebbenhout
- We hebben van oma een ebben olifantje geërfd.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ebben |
ebde |
geëbd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ebben
- (onpersoonlijk) geleidelijk wegvloeien, met name onder invloed van de getijden
- Hij had niet in gaten dat het al enige tijd ebde en kwam daardoor vast te zitten in de modder.