dwars
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dwars
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | dwars | dwarser | dwarst |
| verbogen | dwarse | dwarsere | dwarste |
Bijvoeglijk naamwoord
dwars
- in de breedterichting
- Schouderbinnenwaarts is dus eigenlijk iets dwarser dan schoudervoor.
- geneigd medewerking te weigeren
- In maanden die volgden werd Daantje steeds dwarser en dwarser.
Afgeleide begrippen
Bijwoord
dwars
- in de breedterichting
- Dwars door de sloot lag een omgevallen knotwilg.
- ~ liggen: niet meewerken, tegenstand bieden
- Het voorstel kreeg veel bijval, maar er lagen twee landen dwars.
- iemand iets ~ zitten: een wrok koesteren over iets
- Het zat hem dwars dat hij daarvan valselijk beschuldigd werd.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: De wind is achterlijker dan dwars (zeilterm)
De wind komt schuin van achteren