dwars

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dwars
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: dwers
Germaans *thwerkaz
Veranderd o.i.v *thwer- «draaien»
Indo-Europees: *twork-/*twerk- «verstrengelen, wringen»
  • Verwant in Germaans:
West
Engels: thwart «dwarsbomen» Angelsaksisch þweorh
Duits: quer
Noord
Oudnoors: þvert
  • Andere Indo-Europese talen
Italisch Latijn: torquere «verdraaien, wringen»
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dwars dwarser dwarst
verbogen dwarse dwarsere dwarste

Bijvoeglijk naamwoord

dwars

  1. in de breedterichting
    Schouderbinnenwaarts is dus eigenlijk iets dwarser dan schoudervoor.
  2. geneigd medewerking te weigeren
    In maanden die volgden werd Daantje steeds dwarser en dwarser.
Afgeleide begrippen

Bijwoord

dwars

  1. in de breedterichting
    Dwars door de sloot lag een omgevallen knotwilg.
  2. ~ liggen: niet meewerken, tegenstand bieden
    Het voorstel kreeg veel bijval, maar er lagen twee landen dwars.
  3. iemand iets ~ zitten: een wrok koesteren over iets
    Het zat hem dwars dat hij daarvan valselijk beschuldigd werd.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: De wind is achterlijker dan dwars (zeilterm)
De wind komt schuin van achteren