dutten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dut·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dutten |
dutte |
gedut |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
dutten
- (inergatief) kort en licht slapen
- Hij zat een beetje te dutten.
Zelfstandig naamwoord
dutten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dut