dumpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dum·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dumpen
dumpte
gedumpt
zwak -t volledig

Werkwoord

dumpen

  1. (overgankelijk) (in grote hoeveelheden) onder de gangbare prijs verkopen.
    De Verenigde Staten en de Europese Unie dumpen hun overschotten op de wereldmarkt.
  2. (overgankelijk) storten, lozen, wegwerpen
    Afval dumpen in de oceaan is strafbaar.
  3. (overgankelijk) (m.b.t. een persoon) zich ontdoen van.
    Kleine gemeenten dumpen asielzoekers in grote steden.
  4. (overgankelijk) (m.b.t. een geliefde) afdanken, de bons geven, het uitmaken met.
    Je vriendje dumpen per sms wordt als zeer brutaal ervaren.
Verwante begrippen