duister
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- duis·ter
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | duister | duisterder | duisterst |
| verbogen | duistere | duisterdere | duisterste |
| partitief | duisters | duisterders | - |
Bijvoeglijk naamwoord
duister
- in weinig of geen licht badend
- Hij viel over een krukje in die duistere gang.
- overdrachtelijk: onduidelijk, moeilijk te doorgronden
- Die publicatie maakt daar alleen maar een duistere opmerking over.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | duister | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
duister o
- een donkere of schemerachtige toestand
- Zit je hier nu in het duister? Doe het licht toch aan!
Spreekwoorden
Een sprong in het duister maken.
- Iets doen waarvan men de gevolgen niet in kan schatten, iets onbekends doen.