duister

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duis·ter
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen duister duisterder duisterst
verbogen duistere duisterdere duisterste
partitief duisters duisterders -

Bijvoeglijk naamwoord

duister

  1. in weinig of geen licht badend
    Hij viel over een krukje in die duistere gang.
  2. overdrachtelijk: onduidelijk, moeilijk te doorgronden
    Die publicatie maakt daar alleen maar een duistere opmerking over.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord duister -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

duister o

  1. een donkere of schemerachtige toestand
    Zit je hier nu in het duister? Doe het licht toch aan!
Spreekwoorden

Een sprong in het duister maken.

  • Iets doen waarvan men de gevolgen niet in kan schatten, iets onbekends doen.