drukker
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- druk·ker
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | drukker | drukkers |
| verkleinwoord | drukkertje | drukkertjes |
Zelfstandig naamwoord
drukker m
- (beroep) een persoon die afdrukken maakt
- De drukker had ons een proefdruk gestuurd.
- een mechanisme om een jas te sluiten
- De drukker was beschadigd en daardoor kon de jas niet meer dicht.
Vertalingen
1. een persoon die afdrukken maakt
Bijvoeglijk naamwoord
drukker
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van druk