drogen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| drogen | drogend |
| droging | gedroogd |
| droogte | |
Uitspraak
Woordafbreking
- dro·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| drogen |
droogde |
gedroogd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
drogen
- (overgankelijk) vocht laten of doen verdampen
- We hebben deze bloemen gedroogd.
- (ergatief) het verdampingsproces van vocht
- De was hangt te drogen.
Vertalingen
1. vocht laten of doen verdampen