drager

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dra·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van dragen met het achtervoegsel -er.
enkelvoud meervoud
naamwoord drager dragers
verkleinwoord dragertje dragertjes

Zelfstandig naamwoord

drager m

  1. een persoon die (letterlijk) draagt
    De drager van de rugzak was Jan.
  2. een dunne laag van een fotografische film die de lichtgevoelige emulsie beschermt en de film stevigheid geeft
    Negatieven bestaan simpel gezegd uit twee lagen. In het geval van de 4x5 inch acetaat negatieven gaat het om een emulsie van gelatine waarop de afbeelding staat en een drager van acetaat.
  3. een eigenaar
    Een drager van het hiv-virus moet zich laten behandelen in een ziekenhuis.
  4. (beroep) iemand die bij uitvaarten de kist met de overledene draagt
Vertalingen

Meer informatie