draai
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- draai
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | draai | draaien |
| verkleinwoord | draaitje | draaitjes |
Zelfstandig naamwoord
draai m
- omwenteling
- De turner maakte een Yurchenko met hele draai en gehoekte salto.
- zijn ~ vinden: zich thuis voelen, in zijn element zijn
- Hij kan maar moeilijk zijn draai vinden in het leger.
- ergens een ~ aan geven: een andere invalshoek, benadering bedenken
- Hij geeft weer een andere draai aan het thema.
- Hij probeerde toch een positieve draai aan de dramatische afloop te geven.
- een ~ nemen: compleet veranderen
- Het verhaal neemt plots een andere draai.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| draaien |
draai