dorp
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dorp
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dorp | dorpen |
| verkleinwoord | dorpje | dorpjes |
Zelfstandig naamwoord
dorp o
- een kleine, permanente nederzetting
- Van de wereldbevolking woont een steeds kleiner deel in dorpen.
Afgeleide begrippen
- dorpeling, dorps, dorpsbestuur, dorpsbevolking, dorpsbewoner, dorpsburgemeester, dorpscafé, dorpscentrum, dorpsdokter, dorpsgek, dorpsgemeenschap, dorpsgemeente, dorpsgenoot, dorpsgezicht, dorpsherberg, dorpshoofd, dorpshuis, dorpshuwelijk, dorpsidioot, dorpsjeugd, dorpsjongen, dorpskapitein, dorpskerk, dorpskom, dorpskroeg, dorpsleven, dorpsnotabele, dorpsonderwijzer, dorpsoudste, dorpspastoor, dorpsplein, dorpspolitiek, dorpspomp, dorpsraad, dorpsschool, dorpsstraat, dorpstoren
Vertalingen
1. een kleine, permanente nederzetting
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.