dopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dopen
doopte
gedoopt
zwak -t volledig

Werkwoord

dopen

  1. (overgankelijk) bevochtigen door indompeling in een vloeistof
  2. (overgankelijk) (religie) iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
  3. (overgankelijk) een naam geven, met name bij het dopen
    Het schip werd gedoopt met de naam "de Volharding"
  4. (overgankelijk) voor het eerst ondergaan
    vuurdoop, luchtdoop
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord doop

Meer informatie