doorloop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- door·loop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doorloop | doorlopen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
dóórloop m
- het in zijn geheel zonder onderbreking doornemen van een toneel- of muziekstuk.
- We hebben gisteren een eerste doorloop van het stuk gedaan, waaruit bleek dat er nog veel te verbeteren valt.
- (medisch) diarree
- doorgang, gangpad
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| doorlopen |
doorlóóp
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlopen
- Ik doorlóóp.
- gebiedende wijs van doorlopen
- Doorlóóp!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlopen
- Doorlóóp je?
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| doorlopen |
dóórloop
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlopen
- ... dat ik dóórloop.
Opmerkingen
- Vergelijk loop door.