doordringen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

doordríngen
dóórdringen
Woordafbreking
  • door·drin·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doordringen
dɔːr'drɪŋə(n)
doordrong
dɔːr'drɔŋ
doordrongen
dɔːr'drɔŋə(n)
klasse 3 volledig

Werkwoord

(niet scheidbaar)
doordríngen

  1. (overgankelijk) iemand tot op de grond overtuigen van iets.
    Ik doordróng hen van de noodzaak ervan.


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doordringen
'dɔːr.drɪŋə(n)
drong door
drɔŋ 'dɔːr
doorgedrongen
'dɔːr.ɣə.drɔŋə(n)
klasse 3 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
dóórdringen

  1. (ergatief) weten ergens binnen te komen.
    Hij drong dóór tot in het hart van het fort.