donderden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- don·der·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| donderen |
donderden
- meervoud verleden tijd van donderen
- Wij donderden.
- Jullie donderden.
- Zij donderden.
- Wij donderden.
| vervoeging van |
|---|
| donderen |
donderden