dommelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dommelen
dommelde
gedommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

dommelen

  1. (inergatief) half in slaap zijn
    Na het eten zaten opa en oma wat te dommelen onder de luifel.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen