dommelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dom·me·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dommelen |
dommelde |
gedommeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
dommelen
- (inergatief) half in slaap zijn
- Na het eten zaten opa en oma wat te dommelen onder de luifel.