domineren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- do·mi·ne·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| domineren |
domineerde |
gedomineerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
domineren
- (overgankelijk) het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
- Het is belangrijk dat één oog niet te veel domineert.