domineren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·mi·ne·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
domineren
domineerde
gedomineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

domineren

  1. (overgankelijk) het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
    Het is belangrijk dat één oog niet te veel domineert.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen