dogma

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dog·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord dogma dogma's, dogmata
verkleinwoord dogmaatje dogmaatjes

Zelfstandig naamwoord

dogma o

  1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen.
    Hij hield zich vast aan een dogma.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen