doezelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- doe·ze·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| doezelen |
doezelde |
gedoezeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
doezelen
- (overgankelijk) een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
- Hij heeft voor dat experiment de kleurstof moeten doezelen.
- (inergatief) lichtjes slapen
- Op zondag lig je meestal langer te doezelen.
Synoniemen
- [1] uitwrijven
- [2] dommelen
Vertalingen
1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven