doezelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doe·ze·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doezelen
doezelde
gedoezeld
zwak -d volledig

Werkwoord

doezelen

  1. (overgankelijk) een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
    Hij heeft voor dat experiment de kleurstof moeten doezelen.
  2. (inergatief) lichtjes slapen
    Op zondag lig je meestal langer te doezelen.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen