directeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·rec·teur
enkelvoud meervoud
naamwoord directeur directeurs
verkleinwoord directeurtje directeurtjes

Zelfstandig naamwoord

directeur m

  1. de hoogste persoon bij een bedrijf
    We moesten eerst goedkeuring aan de directeur vragen.
  2. een parmantig persoon
    Mijn neefje was al een echte directeur.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen