directeur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- di·rec·teur
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van dirigeren met het achtervoegsel -eur [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | directeur | directeurs |
| verkleinwoord | directeurtje | directeurtjes |
Zelfstandig naamwoord
directeur m
- (beroep) de hoogste persoon bij een bedrijf, school, inrichting, onderneming etc.
- We moesten eerst goedkeuring aan de directeur vragen.
- een parmantig persoon
- Mijn neefje was al een echte directeur.
Verwante begrippen
- bestuurder, gerant, manager, regisseur
- mannelijke vorm van directrice
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.