dijkbreuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dijk·breuk
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dijkbreuk | dijkbreuken |
| verkleinwoord | (dijkbreukje) | (dijkbreukjes) |
Zelfstandig naamwoord
dijkbreuk m
- het bezwijken van een waterkering, waarbij deze doorbroken wordt
- Door die onverwachte dijkbreuk liep de hele polder onder.