dijkbreuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dijk·breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dijkbreuk dijkbreuken
verkleinwoord (dijkbreukje) (dijkbreukjes)

Zelfstandig naamwoord

dijkbreuk m

  1. het bezwijken van een waterkering, waarbij deze doorbroken wordt
    Door die onverwachte dijkbreuk liep de hele polder onder.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen