diaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·a·ken
Woordherkomst en -opbouw

Van het Griekse woord diakonos (διακονος), dat dienaar betekent (met het voorvoegsel dia-)

enkelvoud meervoud
naamwoord diaken diakenen, diakens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

diaken m

  1. (religie) rooms-katholiek geestelijke, gerangschikt direct onder een priester, die een priester helpt bij kerkdiensten
    Het Tweede Vaticaans Concilie heeft voorzien in een permanent ambt van diaken.[1]
  2. (religie) persoon die binnen de protestantse kerken gaat over de kerkelijke armenzorg
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Diaken, rkk.nl