deuken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • deu·ken

Zelfstandig naamwoord

deuken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord deuk
Uitspraak
Woordafbreking
  • deu·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deuken
deukte
gedeukt
zwak -t volledig

Werkwoord

deuken

  1. (overgankelijk) een deuk of deuken maken in iets
    Tot zijn schrik merkte hij dat zijn nieuwe wagen gedeukt was.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen