deuken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- deu·ken
Zelfstandig naamwoord
deuken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord deuk
Uitspraak
Woordafbreking
- deu·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| deuken |
deukte |
gedeukt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
deuken
- (overgankelijk) een deuk of deuken maken in iets
- Tot zijn schrik merkte hij dat zijn nieuwe wagen gedeukt was.