deuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- deuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | deuk | deuken |
| verkleinwoord | deukje | deukjes |
Zelfstandig naamwoord
- vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
- Dat auto-ongeluk veroorzaakte gelukkig alleen een paar deukjes.
- overdrachtelijk psychologische schade
- Door die nederlaag liep zijn eigendunk een flinke deuk op.
- de slappe lach
- Toen ik dat hoorde, lag ik in een deuk!
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| deuken |
deuk