deuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deuk
enkelvoud meervoud
naamwoord deuk deuken
verkleinwoord deukje deukjes

Zelfstandig naamwoord

deuk v/m

  1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
    Dat auto-ongeluk veroorzaakte gelukkig alleen een paar deukjes.
  2. (figuurlijk) psychologische schade
    Door die nederlaag liep zijn eigendunk een flinke deuk op.
  3. een slappe lach
    Toen ik dat hoorde, lag ik in een deuk!
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
deuken

deuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van deuken
    Ik deuk.
  2. gebiedende wijs van deuken
    Deuk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van deuken
    Deuk je?