deuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- deuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | deuk | deuken |
| verkleinwoord | deukje | deukjes |
Zelfstandig naamwoord
- vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
- Dat auto-ongeluk veroorzaakte gelukkig alleen een paar deukjes.
- (figuurlijk) psychologische schade
- Door die nederlaag liep zijn eigendunk een flinke deuk op.
- een slappe lach
- Toen ik dat hoorde, lag ik in een deuk!
Synoniemen
- [1]: bluts
Vertalingen
1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
2. psychologische schade
3. een slappe lach
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| deuken |
deuk