deduceren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- de·du·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van het Franse déduire of daarvoor van het Latijnse 'dūcere' met het voorvoegsel de- met het achtervoegsel -eren [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| deduceren |
deduceerde |
gededuceerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
deduceren
- (overgankelijk) met behulp van logische regels uit het algemene afleiden