dartelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dar·te·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dartelen |
dartelde |
gedarteld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
dartelen
- (inergatief) speels en vrolijk heen en weer rennen
- De kalveren dartelden door de weide.
- (ergatief) speels en vrolijk ergens heen rennen
- Zo was hij onbezorgd door zijn jeugd gedarteld.