daagde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daag·de

Werkwoord

vervoeging van
dagen

daagde

  1. enkelvoud verleden tijd van dagen
    Ik daagde.
    Jij daagde.
    Hij, zij, het daagde.