cursus
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- cur·sus
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | cursus | cursussen |
| verkleinwoord | cursusje | cursusjes |
Zelfstandig naamwoord
cursus m
- (onderwijs) een reeks lessen die een afgesloten geheel vormen
- Hij kreeg ook een cursus bij dat abonnement.
- een leerjaar
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.