corpus

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA:
    • (enk) /'kɔrpɵs/
    • (mv) /'kɔrpora/
Woordafbreking
  • cor·pus
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Latijnse corpus (lichaam)
enkelvoud meervoud
naamwoord corpus corpora
corpussen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

corpus o

  1. alle verzamelde werken die bekend zijn op een bepaald gebied.
    Dit is het corpus van het Middelnederlands van de dertiende eeuw.


Latijn

Zelfstandig naamwoord

corpus o

  1. lichaam
  2. lijk
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief corpus corpora
genitief corporis corporum
datief corporī corporibus
accusatief corporem corpora
vocatief corpus corpora
ablatief corpore corporibus
Persoonlijke instellingen