converseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- con·ver·se·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| converseren |
converseerde |
geconverseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
converseren
- (inergatief) een gesprek voeren
- Ze converseerden over de toekomst van het bedrijf.