contact

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tact

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord contact contacten
verkleinwoord contactje contacttjes

contact o

  1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken.
    Doordat de twee voorwerpen elkaar aanraakten, ontstond er contact.
  2. onderlinge communicatie.
    Zij bleven in contact met elkaar.
  3. een contactpersoon.
    Zij is mijn vaste contact als het om wiskundige sommen gaat.
  4. een verbinding van twee elektrische geleidingen.
    Door het gemaakte contact ontstond er een kleine spanning.
  5. een elektrische schakelaar.
    Zet het contactje even om.
  6. de grens tussen stollings- en nevengesteente.
    De grens tussen stollings- en nevengesteente noemt men contact.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen