constraint
Uit WikiWoordenboek
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| constraint | constraints |
Zelfstandig naamwoord
constraint
- begrenzing, beperking
- kluister, band
- «The fighting patient was put in constraints.»
- De tegenstribbelende patiënt werd met riemen vastgebonden.
- «The fighting patient was put in constraints.»