confisqueren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| confisqueren | confisquerend |
| confiscatie | geconfisqueerd |
| - | confiscabel |
Uitspraak
Woordafbreking
- con·fis·que·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| confisqueren |
confisqueerde |
geconfisqueerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
confisqueren
- (overgankelijk) (juridisch) van staatswege in beslag nemen
- De grove winsten van de drugshandelaar werden geconfisqueerd.
Synoniemen
Vertalingen
1. van staatswege in beslag nemen