confirmeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- con·fir·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| confirmeren |
confirmeerde |
geconfirmeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
confirmeren (overgankelijk)
- (handel) (schriftelijk) bevestigen, bekrachtigen
- bevestigen, opnemen als lidmaat in een protestantse kerk
- vormen, inzegenen in de rooms-katholieke kerk