compiler

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·pi·ler
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Engelse 'compiler' (met het voorvoegsel com-)
enkelvoud meervoud
naamwoord compiler compilers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

compiler m

  1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
compiler compilers

Zelfstandig naamwoord

compiler

  1. (informatica) compiler


Frans

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
compiler
compilais
compilé
eerste groep volledig

Werkwoord

compiler

  1. (informatica) compileren