compenseer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- com·pen·seer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| compenseren |
compenseer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van compenseren
- Ik compenseer.
- gebiedende wijs van compenseren
- Compenseer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van compenseren
- Compenseer je?