communiceren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- com·mu·ni·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| communiceren |
communiceerde |
gecommuniceerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
communiceren
- (inergatief) (religie) ter communie gaan, de heilige communie ontvangen of uitreiken
- Zij communiceerde elke ochtend tijdens de vroegmis.
- (inergatief) door middel van communicatie met elkaar in contact komen
- Het is niet gemakkelijk om in een vreemde taal te communiceren.
Verwante begrippen
- [1] communie
- [2] communicatie
Vertalingen
2. met elkaar in contact komen