collega

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • col·le·ga
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord collega collega's
verkleinwoord collegaatje collegaatjes

Zelfstandig naamwoord

collega m

  1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt.
    Samen met mij werden er nog zes andere collega's ontslagen.
  2. een vak- of ambtgenoot.
    Wetenschappers feliciteerden hun collega met zijn uitvinding.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Latijn

Woordafbreking
  • col·le·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het fictieve *collegere met het achtervoegsel -a. Dit is weer gevormd uit legĕre (verzamelen) met het voorvoegsel com-.

Zelfstandig naamwoord

collēga m

  1. ambtgenoot
  2. kameraad, helper, deelgenoot
Verwante begrippen