coaguleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- co·a·gu·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| coaguleren |
coaguleerde |
gecoaguleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
coaguleren
- (overgankelijk) een proces van uitvlokking doen ondergaan
- De toevoeging van stremsel coaguleerde het eiwit in de melk.
- (ergatief) een proces van uitvlokking ondergaan
- Doordat de ionsterkte te hoog was is dit colloïd gecoaguleerd.