coïncideren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- co·in·ci·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| coïncideren |
coïncideerde |
gecoïncideerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
coïncideren
- (onovergankelijk) samenvallen in ruimte of tijd
- Zijn aftreden coïncideerde met het optreden van een zware aardbeving.
- (overgankelijk) het samenvallen in ruimte of tijd vaststellen
- Samen vormen deze oscilloscopen - ongeacht hun plaats op de aarde - één grote detector doordat de signalen gecoïncideerd kunnen worden.