cis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Notatie een "cis"

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cis
enkelvoud meervoud
naamwoord cis cissen
verkleinwoord cisje cisjes

Zelfstandig naamwoord

cis v/m

  1. (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "c"
    De toon “cis” klinkt in de getempereerde stemming, gelijk aan de toon “des”.
  2. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “cis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Op de notenbalk van een sonate in cis, staan vier kruisen als voortekens.
  3. (muziek) de grondtoon van het “cis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het cis-mineurakkoord (symbool: C#m) in grondligging, zijn: cis - e - gis.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen cis
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

cis

  1. (scheikunde) niet aan gene, maar aan deze zijde van een dubbele binding of centraal atoom
    In natuurlijke onverzadigde vetzuren zijn alle dubbele bindingen cis.
Antoniemen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • cis

Zelfstandig naamwoord

cis o

  1. (muziek) de toon ”cis”
  2. (muziek) cis: korte aanduiding van de toonaard “cis-mineur
    «Eine Sonate in cis
    Een sonate in cis kleine terts.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Latijn

Voorzetsel

cĭs + accusatief

  1. aan deze kant van
    «Cis Padum.»
    Aan deze kant van de Po.
Synoniemen