chirurg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- chi·rurg
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | chirurg | chirurgen |
| verkleinwoord | (chirurgje) | (chirurgjes) |
Zelfstandig naamwoord
chirurg m
- (medisch) (beroep) een specialist die operaties verricht
- De chirurg was bij de operatie aanwezig.
Synoniemen
- [1] heelkundige
Verwante begrippen
Hyponiemen
- boomchirurg, buikchirurg, hartchirurg, hoofdchirurg, kaakchirurg, oogchirurg, thoraxchirurg, traumachirurg, vaatchirurg
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. specialist
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
Pools
Zelfstandig naamwoord
chirurg m
Tsjechisch
Zelfstandig naamwoord
chirurg m