chez

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Voorzetsel

chez

  1. bij (bepaling van locatie)
    «J'étais chez le coiffeur.»
    Ik was bij de kapper.
    «Je vais chez moi.»
    Ik ga naar huis.
  2. bij (bepaling van collectiviteit)
    «Cette maladie se voit souvent chez les chiens.»
    Die ziekte ziet men vaak bij honden.